Hoezo duurzaam?!

De term duurzaam wordt te pas en te onpas gebruikt, maar wat dacht je van deze viool?

Deze viool werd rond 1830 gebouwd met een vlakke hals. eind 19e eeuw werd hij verhalsd. Dat wil zeggen dat er een nieuwe hals werd aangezet. De oude hals werd er uit gehaald en de stemschroevenkast en de krul werden van de oude hals gehaald en weer aan de nieuwe hals gelijmd. De nieuwe hals was iets steiler zodat er met een hogere kam en dus meer snaardruk gespeeld kon worden.

De naden van de ingelijmde stemschroevenkast

In het achterblad is een nieuw stuk gezet

Ingezet stuk hout compleet met de lip waar de hals aangelijmd is.

De zijkant is gerepareerd door aan de binnenkant een laagje hout en op een andere plaats een soort canvas in te lijmen.

Het bovenblad kreeg ik in stukken aan. De lichte houten lijmstrookjes zijn van nu. De andere zijn van eerdere reparaties.

Het bovenblad is op meerdere plaatsen gerepareerd.

Het mooie aan een viool is dat deze is gelijmd met beenderlijm. Dat kun je weer loshalen. Op die manier kun je b.v. het bovenblad er afhalen, don’t try this at home 😉 en op die manier kan bijna alles worden gerepareerd. Hoeveel eigenaren deze viool heeft gehad, kunnen we alleen naar gissen. Maar dat hij al veel heeft meegemaakt lijkt wel zeker. En nu een kleine twee eeuwen na de bouw klinkt hij nog geweldig. Als dat niet duurzaam is……..

Oude violen hebben de beste klank?!

“Veel violisten zijn er van overtuigd dat de violen van Stradivarius en Guarneri del Gesù wat betreft klank superieur zijn in vergelijking met andere violen en in het bijzonder met nieuw gebouwde violen”.

Voor zover bekend was hier geen onderzoek naar gedaan en daarom werd aan 21 violisten (m/v) gevraagd om mee te werken aan het volgende experiment:

Elke violist speelt geblinddoekt op twee violen. Een oude, van Stradivarius of Guarneri del Gesù en een nieuwe van een niet bekendgemaakte goede bouwer en let daarbij op vier kenmerken. Te weten Tone colors, Playability, Response en Projectie (respectievelijk Timbre, bespeelbaarheid, sterkte van de klank en de wijdheid van de uitgestraalde klank.

Na het spelen werd gevraagd welke van de twee violen de violist mee naar huis wilde nemen, welke de op één na beste  en welke de slechtste was van de twee.

Het resultaat was dat een van de nieuwe als beste viool werd beoordeeld en de Strad uit ca 1700 het laagst werd beoordeeld. Uiteindelijk kozen slechts 8 van de 21 violisten (38%) een Cremonese meester viool uit om mee naar huis te nemen.

Artikel: Player preferences among new and old violins

Claudia Fritza,1,2, Joseph Curtinb,1, Jacques Poitevineaua, Palmer Morrel-Samuelsc, and Fan-Chia Tao; PNAS jan 2012

Het artikel is te downloaden op: (PDF) Player preferences among new and old violins (researchgate.net)

Literatuuronderzoek

Mijn eigen klankonderzoek is gericht op de vraag: “Hoe kan de natuurkunde helpen om de klank van de viool objectiever te benaderen en vooral te verbeteren?”

Wat is er bekend in de wetenschappelijke- en onderzoek gerichte literatuur op dit vlak? Om deze vraag te beantwoorden ben ik de afgelopen maanden de literatuur ingedoken. Ik heb daarbij naar werken gezocht die in mijn ogen een bijdrage leveren aan het antwoord op mijn vraag naar een mogelijk verband tussen natuurkundige grootheden en waardering van de klank. Het eerste objectief en meetbaar en het tweede subjectief.

Naast de voor mij al langer bekende auteurs met een vooral natuurkundige invalshoek als Carleen Hutchins, Eric Jansson, Joseph Curtin, Martin Schleske, Nigel Harris, Colin Gough, John Mc Lennan en William “Jack” Fry heb ik ook kennis genomen van het werk van Claudia Fritz e.a. Deze laatste groep betrekt ook de beleving van de violist(e) en de luisteraar bij het onderzoek. Dat aspect is in mijn ogen de ‘missing link’ in veel klankonderzoeken. Dat is ook de reden dat ik bij elk onderzoek de vraag stel: wie bepaalt de kwaliteit van de klank?

De komende maanden zal ik verslag doen van dit onderzoek.